Dag 1: het vertrek
Na een korte nachtrust vertrokken we in alle vroegte met onze koffers richting tramhalte. Het was koud en nat en omdat de tram tien minuten later kwam dan op de website van de Lijn te lezen was, waren we al aardig doorweekt bij het instappen. Het deed ons nog meer verlangen naar het mooie weer dat ons de komende dagen ongetwijfeld te wachten stond.
Om er later niet mee te moeten sleuren, hadden we niet teveel dikke kleding aangetrokken en dus kropen we tijdens de treinreis naar Schiphol dicht bij elkaar om het weer warm te krijgen.
In de luchthaven verliep alles vlotjes en twee uur later zaten we aan boord, klaar voor vertrek. Het zou een vlucht van bijna 11 uur worden en om de verveling te verdrijven hadden we een massa lectuur meegenomen (waaronder enkele reisverslagen die we van internet geplukt hadden en woordenlijstjes Spaans).
Tot onze aangename verrassing hadden we blijkbaar een Comfort Class zitje waardoor we gratis gebruik konden maken van een ‘Personal Entertainment Player’ waarmee we films en TV-series konden bekijken.
Na de paspoortcontrole op de luchthaven Jose Martí in Havana, begon het
wachten op de bagage. Aan een gezapig tempo druppelden de koffers
mondjesmaat binnen via de band en na een half uurtje hadden we de koffer van
Gert te pakken. Die van mij liet echter op zich wachten. Even wat verder
zoeken leverde gelukkig resultaat op; de koffer lag op een andere band.
In de aankomsthal stond Emilio Garcia van Cuba Real Tours ons op te wachten. Onze eerste twee nachten in Havana waren via zijn agentschap geboekt maar hij had voor ons ook de informatie meegebracht van Cubanacan, waar onze Flexi Fly & Drive geboekt was. Tijdens de rit naar Havana Vieja kregen we van Emilio uitleg bij alle documenten. Hij sprak vrij goed Engels maar later
zou blijken dat de gemiddelde Cubaan geen woord Engels of enige ander taal
dan Spaans kent. Het zijn voornamelijk degenen die in het toerisme werken
die soms één of meerdere vreemde talen enigszins onder de knie hebben.
Ons eerste hotel in oud Havana was ‘Hostal Los Frailes’ in de Calle Teniente Rey, een mooi gerenoveerd herenhuis met een prachtige binnenplaats die weelderig overgroeid was met allerlei gebladerte. Het ontbijt werd geserveerd in de taverne 'Amigos del Benny' op de hoek, waar een autenthieke toog/bar uit de jaren 50 het interieur sierde.
Na wat opfrissen en omkleden, besloten we maar meteen op zoek te gaan naar een eetgelegenheid. Voor onze biologische klok was het immers al midden in de nacht en we wilden zo snel mogelijk onder zeil. We aten een niet echt spectaculaire maaltijd in een restaurant op de Plaza Vieja, vlakbij het hotel. Gedurende de gehele reis zou het eten trouwens een variatie op hetzelfde thema worden maar dat Cuba geen droombestemming is voor de culinaire fijnproever wisten we van vooraf.
Dag 2: Havana
Dag twee werd een verkenningstocht doorheen La Habana Vieja en een stukje van Centro Habana waarbij we uitgebreid de tijd namen om te slenteren, gewoon wat te zitten op een bankje of stoeprand of een Mojito te drinken op een met groen overwoekerde patio. Algauw bleek dat de renovaties in het oude stadgedeelte dan wel ver gevorderd waren, van het opknappen van de verder gelegen delen als Centro Habana en Vedado is er nog maar nauwelijks sprake. Jammer, want ook in deze stadsgedeelten zijn er prachtige gebouwen te vinden die helaas langzaam verkommeren omdat noch de staat, noch de bewoners de middelen hebben er iets aan te doen.
Omdat Emilio ons had aangeraden vandaag de boeking van onze huurwagen die we op dag drie zouden afhalen, nogmaals te bevestigen om oponthoud te vermijden, kochten we een telefoonkaart en zochten een openbare telefoon op. Die zijn in het Havana van vandaag waar nog haast niemand een GSM heeft, nog rijkelijk aanwezig. Bij de verhuurdienst Rex, bleek er echter niemand ook maar een woord Engels te spreken en tot tweemaal toe verbrak men gewoon de verbinding. Zelfs onze pogingen in het Spaans draaiden op niets uit. We besloten het dan maar zo te laten en gewoon morgen zo vroeg mogelijk naar het verhuurkantoor te gaan om de wagen op te halen.
Een tweede probleem dat zich ondertussen aandiende, was dat de lijst met hotels die we konden boeken met onze Flexi, niet te vinden was tussen onze documentatie. Weer een telefoontje dus, deze keer naar Cuba Real Tours, waar men ons doorverwees naar Cubanacan, die ons de lijst had moeten bezorgen. Bij Cubanacan was er wederom niemand die Engels sprak maar gelukkig bleek er wel iemand wat Frans te kennen. De dame aan de lijn maakte ons duidelijk dat de enige manier om aan de lijst te raken een bezoek aan hun kantoor in de verstgelegen wijk Miramar was. We besloten dus maar te wachten tot we morgenochtend de huurwagen hadden en de rest van de dag te genieten van de stad.
Tijdens onze eerste wandelingen maakten we al dadelijk kennis met de zogenaamde “jineteros” en “jineteras”, meestal jonge Cubanen die je sigaren proberen te verkopen of je een restaurant of hotel aanbevelen waar zij een commisie krijgen per aangeleverde klant. Het is een manier om een centje bij te verdienen en zo de eindjes aan elkaar te knopen. Hoewel er zeker geen schrijnende armoede bestaat in Cuba – iedereen heeft immers een inkomen-, is het toch onmiddellijk duidelijk dat de doorsnee Cubaan het niet altijd makkelijk heeft. Toch zal je zelden mensen zien bedelen.
’s Avonds aten we in El Meson de la Flota in de Calle Mercaderes waar het eten middelmatig was en de dienster verontwaardigd omdat we de (dubbel zo dure!) suggestie niet wilden nemen maar waar het live optreden van een flamencogroep daarentegen zeer te pruimen was.
Dag 3: Een minder aangename dag in Havana
Op dag drie vertrokken we per taxi met onze koffers naar het kantoor van Rex aan de Ligna y Malecon. Tot onze opluchting stond onze wagen gewoon klaar. Dat we verplicht nog een verzekering moesten afsluiten van 160 CUC (afkorting voor convertible Peso) was een minder aangename verrassing die we eigenlijk aan onszelf te danken hadden; het stond inderdaad zo in de folder van Connections maar om één of andere reden hadden we er niet meer aan gedacht.
Nadat alle papierwerk afgehandeld was, vertrokken we richting Miramar, naar het kantoor van Cubanacan, voor de lijst met hotels. Het plan was om daarna door te rijden naar Viñales en daar twee dagen te blijven. Na ettelijke malen de weg gevraagd te hebben, vonden we na ongeveer anderhalf uur het adres dat op de voucher van Connections vermeld stond. Op deze locatie vonden we echter niet Cubanacan maar één of andere liefdadigheidsorganisatie. Een vriendelijke dame achter de balie wist gelukkig waarheen Cubanacan verhuisd was en gaf me het nieuwe adres en enkele aanwijzingen. Maar goed dat ik “links” en “rechts” in het Spaans geleerd had!
We vonden vrij vlot het nieuwe adres en even later hadden we de hotellijst in ons bezit. Opgelucht zochten we een telefoon op en begonnen te bellen. Al na het eerste telefoontje was duidelijk dat we onze plannen zouden moeten omgooien; alle hotels in Viñales zaten voor de eerste vier dagen vol. Ook onze reis afsluiten in Viñales bleek niet mogelijk, enkel ergens in het midden van onze Flexi was er nog plaats. Dan maar eerst richting Cienfuegos en de rest later beslissen.
Helaas was Murphy toen nog maar net aan zijn opwarmertje bezig; geen van de telefoonnummers van de hotels in Cienfuegos bleek te kloppen, op één na en dat hotel was vol. De telefooncellen lieten het bovendien geregeld afweten en de zeldzame keer dat we iemand van de inlichtingen te pakken kregen, bleken ze daar ook over de foute nummers te beschikken. Om drie uur werd het duidelijk dat we nog een nacht in Havana zouden moeten blijven. Voor het donker zouden we nergens anders meer heen kunnen rijden.
Na op goed geluk een hotel in Vedado geboekt te hebben (dat nummer klopte gelukkig wel!) besloten we terug te rijden naar het kantoor van Cubanacan en de boekingen via het kantoor te doen. De norse heer die ons de lijst had bezorgd, was er gelukkig nog en was bereid de boekingen voor ons via de computer te doen. De eerlijkheid gebiedt me toe te geven dat ik onze wanhoop een beetje aandikte en misschien was hij daar niet ongevoelig voor. Ik gaf hem de lijst met plaatsen die we wilden bezoeken en hij zei ons morgenvroeg om tien uur terug te bellen en te vragen naar José Armando, die Engels sprak. José zou ons dan laten weten welke hotels er precies geboekt waren. Een pak van ons hart, dat was zeker!
Het hotel dat we voor die nacht geboekt hadden, El Bosque, was een afgelegen en afgeleefde betonblok met weinig charme maar we waren allang blij dat we een slaapplek hadden. Voor het avondeten trokken we terug naar de oude stad. Murw van het vele bellen, zoeken en heen en weer rijden, lieten we ons een toeristisch restaurant op de Plaza de Armas binnenlokken door een ober die zich een verschrikkelijk Amerikaans accent had aangemeten. Het eten smaakte tegen alle verwachtingen in best lekker en de omgeving, een overwoekerde patio (Havana is ermee bezaaid!) met hier en daar loslopend pluimvee, was heel ontspannend. De Mojito was dat eveneens.
Dag 4: Een vlotte reis van Havana naar Cienfuegos
Na een niet zo fantastisch ontbijt, trokken we terug naar de telefooncel in het centrum -we moesten toch die richting uit- voor het telefoontje naar Cubanacan. We waren wat te vroeg ter plaatse en slenterden nog wat rond in afwachting. Op dat moment werd Gert aangesproken door een jinetero die hem blijkbaar een interessant aanbod deed. Voor ik kon vragen waar het over ging, waren we al met z’n drieën op weg naar wat de jongeman een “coöperatieve” noemde. Hij sprak heel vlot Frans en we voerden onderweg een gesprek over vanalles en nog wat. Net toen het ge-zigzag door de kleine straatjes ons iets te lang begon te duren, kondigde onze gids aan dat we er waren.
De zogenaamde coöperatieve bleek een gewoon woonhuis te zijn waar hij ons, samen met een maatje dat hij net voor de deur had opgepikt, naar de eerste verdieping leidde. Daar zag ik meteen waar het om ging: sigaren! Een volledig assortiment merksigaren werd uitgestald op tafel, compleet met originele verpakkingen en sigarenbandjes maar uiteraard wel zonder het officiële zegel dat sigaren die voor de export bestemd zijn, dienen te dragen. Uit de reisgidsen wisten we dat je bij sigaren op de zwarte markt nooit zeker kan zijn van de kwaliteit en dat het vaak zelfs tweedekeus-sigaren zijn maar toch lieten we ons overhalen om twee kleine pakjes te kopen, zij het meer omwille van de ervaring dan om de sigaren zelf. We kochten de twee pakjes vlotjes voor de helft van de vraagprijs wat ons deed vermoeden dat dat nog steeds veel te veel was. Zodra de zaken afgehandeld waren en er duidelijk geen geld meer te halen viel, verdween bij de twee verkopers alle interesse en mochten we op eigen houtje weer naar de uitgang. Best een grappige ervaring eigenlijk.
Ondertussen was het tien uur en dus tijd om te gaan bellen. Mijn beurt om het woord te voeren. De heer die ik aan de lijn kreeg, sprak geen Engels of Frans maar wist me wel duidelijk te maken dat José Armando er niet was. Doemscenario’s flitsten al door mijn hoofd en in gedachten had ik de man die ons gisteren beloofd had de boekingen te doen al bij de kraag maar toen hoorde ik dat de persoon aan de andere kant van de lijn een opsomming van locaties en hotels begon te maken. Ik noteerde snel alle namen, vroeg hem in mijn beste Spaans alles nog eens te herhalen en bedankt hem daarna uitvoerig. Gelukt! Alle overnachtingen in orde!
Vol goede moed vertrokken we richting Cienfuegos. Vanaf de autopista die zo’n beetje rond Havana loopt, moesten we de afslag naar de Autopista Nacional A1 richting Santa Clara nemen. Omdat er in Cuba maar enkele snelwegen zijn, verkeerden we in de veronderstelling dat bij een kruising van twee zulks, zeker richtingaanwijzers zouden staan; dat was een misrekening. Na een uurtje rondrijden en overal om hulp vragen, vonden we uiteindelijk de juiste afslag.
Vanaf dit punt begonnen we overal lifters mee te nemen. “Coher la botella” oftewel liften is in Cuba de meest gangbare manier van vervoer. Op vaste oppikpunten (ook gewoon langs de snelweg) staan tientallen mensen te wachten op een lift. Voor ons als toerist was het een heel handige manier om overal de weg te vinden. De landkaart die we gekocht hadden was namelijk niet heel goed en deze die we van Cubanacan hadden gekregen, was de naam zelfs niet waardig. Bovendien is het begrip “signalisatie” onbekend in Cuba, wat het zelfs mét en goede landkaart moeilijk maakt de weg te vinden.
We probeerden nu en dan gesprekjes aan te knopen met onze passagiers maar erg vlot verliepen die meestal niet. Ik zocht woorden en zinnen op in mijn woordenboek en af en toe kon er iemand een beetje Engels maar daar hield het dan ook op. Eén van onze eerste vrachtjes waren vier giechelende tienermeisjes die na onderling overleg op de achterbank aarzelend in het Engels naar onze namen vroegen en 'waar we vandaan kwamen' en daarna wilden ze ook allemaal graag giechelend meekijken op de kaart. Tienermeisjes zijn overal ter wereld hetzelfde.
Al tegen drie uur in de namiddag bereikten we ons hotel, Rancho Luna, gelegen aan de kust, 18 km voorbij Cienfuegos. Als het inchecken vlot zou verlopen, zouden we misschien dezelfde middag nog het centrum van Cienfuegos kunnen bezoeken. Maar dat zou te vroeg gejuichd zijn; bij de balie had men geen weet van een boeking op onze naam of Flexi-nummer. We bleven aandringen en werden een kantoortje binnengeloodsd waar we ons verhaal nogmaals mochten doen aan een dame die iets beter Engels sprak. We vroegen haar te bellen met José Armando om de boeking na te gaan waarna ze aan de slag ging met de telefoon. Telefoneren is een opgave in Cuba. Na enkele keren proberen, had ze blijkbaar de juiste persoon te pakken. Uit de discussie die daarop volgde, konden we niks opmaken maar na het inhaken, kregen we doodleuk te horen dat Cubanacan “een fout had gemaakt” en dat er geen kamer meer vrij was.
Bijna op hetzelfde moment kwam als een deus ex machina de kantoorchef binnenwaaien met een oplossing: we konden bij hem thuis overnachten! Hij troonde ons mee naar de bar, gaf ons een drankje en zei ons even te wachten. Het stond ons niks aan. Het hotel had een mooi zwembad en bood waarschijnlijk meer comfort dan een particuliere kamer dus toen de man een halfuurtje later huiswaarts vertrok met zijn aktentas in de hand en ons wilde oppikken in de lounge, lieten wij hem beleefd weten dat we liever ter plaatse bleven om onze kamer op te eisen. Duidelijk ontriefd verliet hij het hotel in zijn eentje. Daar ging zijn kans op een extraatje.
Het personeel had intussen alle aandacht voor ons verloren en een uur later zagen we de telefoondame haar kantoortje sluiten en aanstalten maken om te vertrekken. Tijd voor actie! Gert hield haar tegen en eiste beleefd maar kordaat een oplossing voor ons probleem. Uiteindelijk ging ze overstag en zonder verder protest kregen we een inschrijvingsfiche en een sleutel toegeschoven. Dus als bij wonder was er toch een kamer vrij?
Het doel van deze hele toneelopvoering is ons tot op vandaag niet duidelijk maar even later lagen we, met een cocktail om de overwinning te vieren, van de laatste zonnestralen te genieten aan het zwembad.
Het hotel zelf was vrij aangenaam. De betonnen blokken met de kamers waren netjes zij het tamelijk inspiratieloos van architectuur en de kamer en badkamer waren comfortabel en schoon. Omwille van de afgelegen ligging was een all-inclusive formule verplicht voor alle gasten en dus nuttigden we ons avondeten ter plaatse in een soort “eetzaal” met ongezellig licht, slechte muziek en benedenmaats eten. Maar laat het duidelijk zijn dat we hierdoor ons humeur niet lieten bederven!
Dag 5: Bezoek aan Trinidad
Omwille van het tijdverlies de vorige dag, pastten we ons schema lichtjes aan en vertrokken we ’s ochtends vroeg richting Trinidad. Op een paar honderd meter van hotel pikten we de jonge Carlos op. Carlos sprak een paar woordjes Engels en moest ook richting Trinidad zei hij. Omdat we al snel de indruk kregen dat hij ons als zijn privéchauffeurs beschouwde en ons een behoorlijke omweg liet maken, namen we verderop nog wat mensen mee. Dat Carlos daar niet zo blij mee was, versterkte ons vermoeden dat hij eigenlijk ergens anders heen wilde. Nu kon hij niet anders dan meerijden.
Nog geen uur later stopten we bij ons volgende hotel, Yaguanabo, aan de kust, ongeveer 8 km voor Trinidad.
Het verbaasde ons weinig toen er ook hier niemand van onze reservatie af bleek te weten. Gelukkig was men hier heel wat vriendelijker en behulpzamer. Een kamer bleek geen probleem te zijn en het meisje achter de balie was zelfs bereid naar ons volgende hotel te bellen om de reservatie te bevestigen. Vreemd genoeg bleek men daar wél op de hoogte te zijn van onze komst.
Na het inchecken, vervolgden we onze rit naar Trinidad. Bij het binnenrijden van de stad probeerden verschillende jongemannen ons tegen te houden en ons met gebaren duidelijk te maken dat de weg afgesloten was en dat we beter onze wagen hier konden achterlaten om te voet verder te gaan. We sloegen er geen acht op en vonden aan het eind van de weg gewoon een parking met een “officiële” bewaker met rode pet (we zijn er nog steeds niet achter hoe officiëel dit alom verbreide systeem is). Jammer voor de jongemannen die graag een centje hadden bijverdiend als parkeerwachter.
Hoewel Trinidad eerder een dorp dan een stad bleek te zijn, was het zeker de moeite waard. De historische gebouwen in het centrum waren prachtig gerenoveerd en auto’s komen er niet in. Ondanks de hordes toeristen hing er hier een heel andere sfeer dan in Havana waar de bedrijvigheid van een grote stad overal aanwezig is. Hier hing er eerder de soort drukke gezelligheid van een dorpse marktdag. Op een terrasje dronken we een canchanchara, een lokale cocktail met rum -wat anders- limoen en honing en kochten we een CD met muziek van de band die net op dat moment een repertoire van Son-, Rumba-, Mambo- en Chachacha-nummers ten berde bracht. Leuk voor onderweg in de auto want die had namelijk, heel verrassend, een CD-speler.
Na enkele uren rondslenteren en sfeer opsnuiven vertrokken we weer naar ons hotel waar we de middag afsloten met zonnen op het strand vlakbij waar ook huisdieren en kleinvee uit het dorpje naast het hotel vrolijk rondscharrelden.
Omdat er in de buurt geen andere gelegenheden waren, aten we die avond weer in het hotel. We hadden die ochtend al de indruk dat het grootste gedeelte van de kamers in het hotel niet bewoond of zelfs vervallen was, maar nu pas zagen we ons vermoeden bevestigd: slechts aan een viertal tafels zaten gasten en het legioen personeel verveelde zich duidelijk te pletter want voor elke bestelling stonden ze met drie te trappelen en lege borden werden nog voor de laatste hap gekauwd was, van tafel gehaald.
Aan de bar van het hotel kon men zowel met CUC’s als met moneda nacional betalen, zodat ook de mensen uit het dorpje hier terecht konden. We sloten er de dag af met een Cuba Libre en zochten ons bed op.
Dag 6: Cienfuegos en de Varkensbaai
Onderweg terug naar Cienfuegos stopten we aan de Jardin Botanico Soledad, aangelegd in 1912 door een suikerrietverbouwer en volgens onze reisgids meer dan 2000 plantensoorten tellend. We maakten enkele uren zoek met rondstruinen in de half-verwilderde tuin en ik stopte mijn zakken vol pitten en zaden. Eens uitproberen wat daarvan thuis in de woonkamer zou kunnen overleven.
Tegen de middag kwamen we aan in Cienfuegos waar we vooral de omgeving van het schitterende Parque José Marti verkenden. Ook hier waren in de straten rondom het plein de renovaties nog in volle gang. In één van de zijstraten zagen we vijf mannen een reusachtige rol papier de ingang van een drukkerij binnenrollen. Als lunch aten we een broodje en dronken een mojito op een terrasje op het plein en als laatste liepen we nog even tot aan de baai.
We hadden besloten om vanuit Cienfuegos de kortste weg te nemen naar ons hotel in Playa Giron, gelegen aan de Varkensbaai. Omdat dit tegelijk ook de moeilijkste weg was wegens de totale afwezigheid van wegwijzers, zorgden we ervoor dat onze achterbank gedurende het gehele traject gevuld was met lifters. Naarmate we dichter bij de baai kwamen, moesten we steeds vaker uitwijkmanoeuvres maken voor krabben die met gevaar voor eigen leven de overtocht vanuit de zee naar het binnenland waagden om daar te gaan paren. Over voorplantingsdrift gesproken.
Zonder al te veel problemen bereikten we het hotel. Hotel Playa Giron zag eruit alsof het ooit in een tijdperk van overmoedige grootheidswaan uit de grond gestampt was, om daarna met veel bombarie in gebruik genomen te worden en vrijwel onmiddellijk weer in de vergetelheid te verdwijnen zonder ooit de verwachtte massa’s toeristen te hebben mogen verwelkomen. Na het inchecken aan de centrale balie in de enorme inkomhal, begaven we ons via de dubbele tweevaks oprijlaan naar ons huisje. Er was ons gezegd met de wagen dwars over het gazon tot vlak voor het huisje te rijden omdat er geen personeel was om de enorme, bijna lege, parking die bij ons huizenblok hoorde te bewaken.
Het huisje zelf had duidelijk zijn beste tijd gehad wanneer dat dan ook ooit geweest mocht zijn.
Maar verder had het hotel een heel mooi strand (helaas met een ontzettend lelijk zicht op een betonnen golfbreker) en een aangenaam zwembad waar net het plaatselijke junioren-zwemteam heel gedisciplineerd zijn baantjes aan het trekken was.
Ook hier stelde het avondmaal weinig voor en liep het zaalpersoneel elkaar voor de voeten. We repten ons zo snel mogelijk weer naar ons verblijf en sloten de dag af met luisteren naar de zee zittend in de schommelstoelen op onze veranda.
Dag 7: Lange reis naar Viñales
Rekening houdend met mogelijke onverwachte gebeurtenissen gedurende de meer dan 400 km durende rit van Playa Giron naar Viñales, vertrokken we al vroeg. De weg langs de kust raakte hoe langer hoe dichter bezaaid met overstekende krabben tot je echt kon spreken van een grote wriemelende krabbenzee en het onmogelijk werd ze nog te ontwijken. Op sommige plaatsen kleurden platgereden krabbenlijken het hele wegdek rood. Vanuit de auto konden we hele hordes zien zitten in de struiken, klaar om de oversteek te wagen. We doorkruisten het krabbenverkeer gelukkig zonder lekke banden en reden weer het binnenland in.
Bij de oprit van de autostrade vulden we onze achterbank weer en zetten koers richting Havana. Veel lifters stonden naast de weg met bankbiljetten te zwaaien om meer kans te maken op een zitje. Natuurlijk namen wij nooit geld aan maar één van onze passagiers wilde onze deze keer toch iets geven en haalde een groot blok van wat ik als een soort nougat identificeerde uit zijn zak. In plaats van amandelen of pistachenoten waren hier echter pindanoten gebruikt. Later thuis vond ik op het internet de juiste benaming: Cubaanse Turrón. Het smaakte heel zoet maar wel ontzettend lekker en we deelden een paar stukjes met onze andere lifters.
Enkele uren later reden we vlotjes de “ring” rond Havana weer op vanwaar we makkelijk de autopista richting Pinar del Rio dachten te kunnen nemen. Onze kaarten waren het hier echter oneens over de ligging van de verschillende verbindingswegen naar de autostrade en we hadden ondertussen geen lifters meer bij. Het werd dus weer vragen, de foute richting uitgestuurd worden en maar weer opnieuw vragen tot we tenslotte toch de autopista naar Pinar del Rio vonden.
We namen een jonge opgetutte liftster mee (die misschien liever was opgepikt door een rijke vrijgezel) en wat verder nog een wat ouder koppel.
Na een uur rijden stopten we aan een soort wegrestaurant voor een snack. We legden onze lifters uit dat we iets gingen eten en dat we over een kwartiertje verder zouden rijden. Het was hen allemaal best. We gaven hen alledrie een flesje water als compensatie voor het wachten -dat ze waarschijnlijk niet uitdronken want zo’n ding kost 1 CUC en brengt dus meer op als je het kan verkopen.
Toen we terug richting auto liepen en onze passagiers wilden oppikken waren er ineens twee jonge kerels opgedoken bij onze opgetutte liftster. Hun auto stond naast de onze geparkeerd. Eén van de twee sprak ons aan in vlot Frans. Hij wilde graag een lift verder richting Viñales en had met de jongedame al afgesproken dat hij haar plaats zou innemen. De jongedame had ‘haar plannen gewijzigd’ en zou ‘vrienden in de buurt gaan opzoeken’. We vonden het allemaal wat vreemd maar omdat we nog twee andere passagiers hadden, voelden we ons niet onveilig en namen we hem mee. Onderweg stuurde hij het gesprek al snel in de richting van een aantal ‘interessante adresjes’ die hij voor ons wist in Viñales. Toen het hem duidelijk werd dat we geen interesse hadden, wilde hij weer uit de wagen. Jammer toch dat de enige mensen met wie we eens een vlot gesprek konden voeren, alleen maar uit waren op een handeltje.
Het oudere koppel stapte uit in Pinar del Rio en wij reden verder naar Viñales. Het landschap had ondertussen een totaal ander uitzicht gekregen. Langs dicht beboste kronkelwegen reden we nu de heuvels in. Onderweg hielden we even halt om over een adembenemend mooie vallei uit te kijken en foto’s te nemen.
Een paar kilometer voorbij het dorp Viñales lag hotel La Ermita, onze volgende halte. Het zou ons verbaasd hebben, mocht hier de hotelreservatie in orde geweest zijn, maar dat was ze dus niet. Gelukkig was er wel nog een kamer vrij voor de twee volgende nachten.
Een zeer ijverige werknemer van tour operator Cubanacan stond klaar bij de receptie om allerlei interessante uitstapjes in de omgeving aan te prijzen maar we moesten wel snel zijn, zei hij, want om drie uur zat zijn shift erop en morgen zou hij er niet zijn. Omdat we toch al van plan waren een gids te zoeken om de omgeving te verkennen, boekten we een wandeling van een paar uur voor de volgende morgen.
We brachten de rest van de middag lezend door op het terras voor onze kamer, dat deel uitmaakte van een zuilengalerij die uitgaf op het centrale grasperk met daarin het zwembad. Tegen de avond maakten we nog een wandeling in het dorp, waarna we terugkeerden naar het hotel voor het avondeten. Het restaurant van het hotel had een schitterend uitzicht over de vallei van Viñales dat op dit moment van de dag vervolmaakt werd door de kleuren van de ondergaande zon. Het eten was bovendien naar Cubaanse normen heel smakelijk. We genoten van het uitzicht tot het helemaal donker was.
Dag 8: Viñales
Om kwart voor negen stonden we klaar in de lobby waar we verwelkomd werden door Michael. Michael bleek de collega te zijn van de man bij wie we gisteren geboekt hadden. We betaalden hem de afgesproken prijs en werden doorverwezen naar een museum in het dorp waar we moesten vragen naar Mando. Na een paar keer de weg vragen, vonden we het museum waar Mando ons al stond op te wachten. Ook hij was weer een tussenpersoon die ons voorstelde aan onze eigenlijke gids, die Jesus ofwel “Susie” heette. Susie zou met ons meerijden naar het beginpunt van de wandeling maar voorlopig was het nog even wachten op twee andere wandelaars die te laat op de afspraak waren. Ze arriveerden uiteindelijk een kwartier later, net toen we op het punt stonden het wachten op te geven. Hun huurwagen had het laten afweten en ze hadden in allerijl een taxi moeten bellen.
Susie leidde ons een paar kilometer het dorp uit en liet ons halthouden aan het begin van een smal, onverhard weggetje. Hier lieten we de auto achter en begonnen aan de wandeling. Het eerste deel van de tocht liep door een dichtbebost heuvellandschap. Susie was een uitstekende gids die ontzettend veel bleek te weten over de fauna en flora in het gebied. Hij wees ons allerlei vogels aan tussen het gebladerte en liet ons in het wild groeiende guaves proeven.
Na anderhalf uur keerden we terug naar de wagen en reden naar een volgende locatie om van daaruit een wandeling door de vallei te maken. Jesus bracht ons tot bij het huisje van een lokale kleine boer die onder andere wat tabak verbouwde. De twee begroetten elkaar hartelijk. Terwijl Susie de keuken inliep om de vrouw des huizes te begroeten, nam de boer ons mee naar een schuur waar tabak te drogen hing. Hij sprak enkel Spaans maar omdat hij traag en duidelijk sprak, konden we toch heel wat meepikken van zijn uiteenzetting over het behandelen en drogen van tabak.
Na de rondleiding nodigde hij ons uit aan de grote, met een rieten dak overdekte tafel die op het erf stond. We namen plaats en keken toe hoe hij nauwgezet enkele sigaren rolde.
Ondertussen kwam Susie vanuit de keuken met bananen en koffie aanzetten, allemaal eigen teelt uiteraard. Het was een bijzonder rustgevend moment en we maakten dan ook geen haast om te vertrekken. Toen we dan uiteindelijk toch afscheid namen, gaven we de boer allemaal wat kleingeld om hem te bedanken voor de ontvangst. Ik had hem liever een cadeautje gegeven maar ik had alle spulletjes die ik van thuis had meegenomen in het hotel gelaten.
Op de weg terug naar het dorp praatten we nog wat met Jesus. Hij vertelde ons dat hij achtentwintig jaar lang leraar informatica was geweest en dat hij toen graag iets anders wilde gaan doen. Het was niet eenvoudig geweest een andere job te krijgen: men hecht veel belang aan onderwijs in Cuba en een goede leraar laat men niet zomaar gaan. Uiteindelijk was het hem toch gelukt een job te krijgen bij het beheer van de beschermde natuurgebieden in de buurt. We vroegen hem ook of hij ons een goed adres kon bezorgen voor het avondeten want we waren het hotel-eten een beetje moe. Dat was uiteraard geen enkel probleem. Hij liet ons stoppen bij een huis op een hoek met het bordje ‘Casa José y Dianelys’, stapte uit en voerde een kort gesprek met een vrouw die in de deuropening stond. Een minuut later was ons diner geboekt; om acht uur werden we verwacht bij José en Dianelys, allebei arts. De auto moesten we wel wat verderop parkeren en binnenkomen moest via het tuinpoortje. Vergunningsgewijs zou het dus wel niet helemaal pluis zijn maar zelf hadden ze er blijkbaar alle vertrouwen in.
Na een middag van afkoeling en lectuur aan de zwembadrand, maakten we ons klaar voor het diner. Zoals afgesproken parkeerden we onze auto wat verderop en gingen we binnen langs het tuinpoortje.
Op de patio acheraan het huisje zaten twee europees uitziende dames aan tafel. Terwijl we wat beleefdheden uitwisselden kwam José net de keuken uit. Hij begroette ons hartelijk en liet ons de keuze: eten in de zeteltjes, aan een laag tafeltje of mee aan tafel schuiven met de andere gasten. We kozen voor het laatste. De twee dames, een britse moeder en haar dochter, waren erg sympathiek en babbelden de hele tijd door. Zij huurden een kamer bij José en Dianelys en gebruikten er dus ook het avondeten. We veronderstelden dat de vergunning van onze gastheer niet meer dan de twee huurders van de kamer toeliet en dat onze aanwezigheid daarom verborgen moest blijven.
We hadden gehoopt deze avond wat te kunnen praten met onze gastheren maar hoewel beiden arts waren en dus hoger opgeleid, waren noch José noch Dianelys een andere taal machtig dan het Spaans. Blijkbaar leert men in Cuba enkel een vreemde taal wanneer men specifiek voor een talen-opleiding kiest. De jonste van de twee andere gasten, die behoorlijk wat Spaans sprak, vertelde ons dat Dianelys een been had gebroken en dat José dus alleen in de keuken stond. Het eten smaakte er alleszins niet minder goed door. Na dagenlang hetzelfde middelmatige hotelvoedsel was dit diner een aangename afwisseling. Hoewel de ingrediënten niet veel verschilden (bonen, rijst, varkensvlees, yuca...) smaakte deze maaltijd stukken beter. Alles was heerlijk vers en het fruit en de koffie kwamen zelfs gewoon uit de tuin.
Na afloop betaalden we José 20 CUC voor de maaltijd (wat niet echt goedkoper is dan op restaurant maar het eten was dan ook beter en de ontvangst hartelijker), liepen nog even met hem mee naar de woonkamer om daar zijn echtgenote met been in het gips en dochter te begroeten en namen daarna afscheid.
Op het kerkplein stonden ondertussen al een aantal grote speakers en een mengtafel opgesteld voor de openluchtdisco en overal verzamelden zich groepjes jonge mensen. De bar aan het kerkplein, Centro Cultural Polo Montañez ofwel kortweg Artex was al open en volgens wat we gehoord hadden, zou er hier elke avond gedanst worden. We zochten een plaats dicht bij de dansvloer en terwijl we ons een eerste mojito lieten smaken, maakte de band zich klaar voor het optreden en raakten alle zitjes langzaamaan bezet.
Veel bezoekers waren toeristen maar hier en daar zaten er ook lokale jonge en minder jonge mensen tussen.
Meteen bij de eerste nummers van de band nam een groepje Ierse toeristes de dansvloer in. We keken bedenkelijk naar elkaar; dit was niet waarvoor we gekomen waren. Gelukkig liet de Cubaanse jeugd niet lang op zich wachten en al snel moesten de toeristen het afleggen tegen dit jong dansgeweld. De souplesse en vanzelfsprekendheid waarmee zij over de dansvloer wervelden waren ongeëvenaard en deden ons spijt krijgen dat we zelf geen pas konden dansen. Tot na middernacht bleven we genieten van dit schouwspel, vastbesloten om terug thuis toch op z’n minst eens een proefles te gaan volgen.
Dag 9: van Viñales naar Soroa
De volgende overnachtingsplaats op onze route was Pinar del Rio maar omdat we ondertussen meer zin hadden om de omgeving van de noordelijke kust te verkennen, besloten we deze stop over te slaan en direct door te rijden naar Soroa om vandaaruit de volgende twee dagen wat excursies te ondernemen. De hotelreservaties zouden in alle waarschijnlijkheid toch op geen van beide plaatsen in orde zijn dus daar hielden we allang geen rekening meer mee. We haalden eerst nog geld af in het wisselkantoor in het centrum van Viñales, kochten een fles rum in een klein winkeltje en vertrokken daarna richting autopista. Met de hulp van een paar lifters vonden we al snel de oprit en na een rustige rit van ongeveer anderhalf uur parkeerden we de wagen op de parking van hotel Soroa.
Deze keer zat het ons niet helemaal mee wat de beschikbaarheid van kamers betrof; morgen konden we een kamer krijgen maar vandaag was er niks meer vrij. Ze konden ons enkel een huisje aanbieden op één van de heuvels rondom het hotel maar dat zou niet hetzelfde comfort bieden als een kamer. We stemden in en een bediende van het hotel reed via een hobbelig parcours met ons mee tot aan het huisje.
Op een stoel in de tuin zat een dikke zwarte man in onderhemdje een boek te lezen. Hij keek verbaasd op toen we de oprit opreden. Zijn collega die met ons meegekomen was maande hem met een boze blik aan zijn uniformhemd weer aan te trekken nu het huis dat hij moest bewaken bewoners had. Het huisje had een heel knus en aangenaam vakantieverblijf kunnen zijn -en was dat misschien ook ooit geweest- ware het niet zo volkomen afgeleefd. Er was zelfs een zwembad in de tuin dat helaas gevuld was met bruin troebel water. Gelukkig was alles in het huisje naar gewoonte wel heel schoon. We dropten onze bagage in één van de slaapkamers, sloten af en wandelden langs de bochtige weg weer naar beneden om de waterval te gaan bezoeken.
De toegang tot het wandelpad naar de waterval lag op enkele honderden meters van het hotel. We betaalden 3 CUC toegang en begonnen aan de klim. Veel avontuurlijks was er niet aan; het volledige pad was verhard en had trappen op de hellingen. Voor en achter ons liepen hier en daar nog enkele toeristen. Over platgetreden paden gesproken. De waterval zelf was best mooi en helemaal beneden -vanaf daar had je het mooiste zicht- viel het met de drukte goed mee.
Na de maaltijd van gisteren was de zin in hotelvoedsel ons volledig vergaan en dus namen we de auto naar het nabijgelegen Las Terrazas, een eco-dorp gelegen midden in het natuurgebied Siera del Rosario waar volgens onze reisgids enkele goede adresjes te vinden moesten zijn. We belandden uiteindelijk in een paladar (een restaurant uitgebaat door privépersonen) die gelegen was op een terrasachtige tussenverdieping van één van de vreemde “paalwoningen” van Las Terrazas. Op het eerste zicht was er niets dat wees op enige culinaire activiteit maar de jongeman die voor de deur z’n brommer zat te poetsen, zei dat we plaats mochten nemen en even later kwam hij, in wit hemd en colbert, de tafel dekken.
Bij een meer dan middelmatige maaltijd genoten we van het bijzondere uitzicht dat we vanaf ons terras hadden op de vallei waar het krioelde van de vogels terwijl het dorp met het ondergaan van de zon leek te versmelten met zijn omgeving.
Toen we later terug bij ons huisje kwamen, zat de wachter nog steeds trouw op post. De hele nacht zou hij hier blijven zitten tot morgenvroeg de aflossing kwam. Wat een job!
Dag 10: Soroa en omgeving
Na het ontbijt in een eetzaal met weer meer personeel dan gasten, vertrokken we richting noordkust, op zoek naar een niet-toeristisch strandje. Op onze kaart stonden geen details van dit gebied dus had ik een plannetje overgetekend van een grote kaart die in de lobby hing. Via een parcours in ontzettend slechte staat en na ontelbare keren de weg vragen, vonden we uiteindelijk Playa San Pedro, een mooi strandje bij een bijna verlaten Campismo Popular –een vakantiedorp voor Cubanen. We lieten de auto achter en vonden een paar honderd meter verderop een mooi plekje aan het water, onder de takken van wat lage bomen die bijna tot aan de waterrand groeiden. De strakke wind maakte het helaas wat te fris om te zwemmen dus hielden we het bij pootjebaden en luieren in zand. In de wijde omtrek geen toerist te bekennen. Heerlijk rustig.
Toen we terugkwamen in het hotel was onze kamer vrij. We namen onze intrek en trokken vervolgens naar het zwembad. Toen we na een frisse duik lagen op te drogen, werden we aangesproken door Raul, de badmeester. Hij begon met een banaal praatje maar al snel wilde hij weten of we al een restaurantje hadden gereserveerd voor vanavond. Nieuwsgierig naar zijn voorstel -dat ongetwijfeld zou volgen- zeiden we van niet waarop hij ons een goed adresje aanbeval: bij hem thuis, op tien minuten lopen van het hotel alwaar hij ons zou opwachten om halfacht.
En zo geschiedde. Toen we aankwamen bij het huis van Raul zag ik in de voortuin een kapelletje met daarin een heiligenbeeldje, een kopje koffie en een sigaar. Dit was de eerste keer dat ik deze typische vreemde mengeling van geloof en bijgeloof in de praktijk zag. Ik wilde Raul er naar vragen maar hij loodste ons haastig binnen, goed oplettend dat niemand ons zag.
De maaltijd werd geserveerd in de tuin in een houten huisje met twee open zijden dat ingericht was met een tafel en stoelen, kerstlichtjes en allerlei prullaria waaronder een hertje (!). De poes des huizes cirkelde rond de tafel, hopend op een hapje. Raul en zijn familie hielden zich tijdens de maaltijd afzijdig maar bij het afscheid werden we wel voorgesteld aan zijn vrouw en oudste zoontje Ismael. Het waren erg vriendelijke mensen en we vonden het veel leuker om hén te betalen voor de maaltijd en de ontvangst dan ons geld uit te geven in het hotel.
Terug in het hotel bleek er een kolonie uiterst luidruchtige insecten zijn intrek genomen te hebben in een vreemd soort boom die uitgerekend voor onze kamer stond. Ze produceerden een hoog snerpend geluid dat deed denken aan krekels op krachtvoer. Ze slaagden er gelukkig niet in onze nachtrust te verstoren.
Dag 11: terug naar Havana
Na een rustige rit van Soroa naar Havana leverden we netjes op tijd de wagen weer in bij Rex waarna een taxi ons naar ons laatste hotel bracht, Hotel Florida in de Calle Obispo, het meest luxueuze van de reis. Net als in ons eerste hotel gaven de kamers allemaal uit op een centrale patio, alleen was deze veel groter en overdekt met een glazen dak.
Nadat we de bagage naar de kamer gebracht hadden, planden we de activiteiten voor de rest van de dag. Het leek ons wel wat om het fort aan de overkant van de baai te gaan bezoeken, het 'Castillo de los tres Reyes del Morro'. Maar bleek dat even een teleurstelling te zijn! Behalve het mooie uitzicht over de stad was er absoluut niets interessants te zien. We aten een slaatje in het enige restaurant dat bij het fort te vinden was en wandelden weer richting tunnel in de hoop ergens een taxi te kunnen tegenhouden.
De taxi werd uiteindelijk een mooi onderhouden Dodge uit 1950, eigendom van een jonge Cubaan die hem van zijn grootvader geërfd had en er als bijverdienste toeristen mee vervoerde. Onderweg vertelde hij ons dat de wagen wel twintig liter verbruikte, wat het vervoeren van toeristen zowat tot de enige rendabele activiteit maakte. Om problemen te vermijden betaalden we onderweg al de afgesproken prijs voor de rit en liet de bestuurder ons een eindje voor de officiële taxi-stopplaats al uitstappen.
Later die middag sloegen we nog een voorraadje Cubaanse trots in: een pakje koffie, een fles rum en een uniek verpakte sigaar voor papa (voor als de andere zouden tegenvallen). Ik had graag ook ergens rietsuikerstengels gekocht -lekker om op te kauwen en origineel om in de koffie te roeren- maar in de gebruikelijke toeristenwinkels kon ik die nergens vinden.
Om wat afwisseling te brengen in het eentonige Cubaanse menu, beloten we die avond te gaan eten in 'het enige echte Italiaanse restaurant in Havana'. Helaas was het enige Italiaanse dat op tafel kwam een fles San Pelegrino. De rest van de maaltijd smaakte alsof hij uit blik kwam. Het leek erop dat door het isolement van Cuba niet alleen goederen maar ook culinaire invloeden de weg naar dit eiland niet meer vonden.
Dag 12: de terugreis
Onze laatste voormiddag maakten we nog een wandeling door de oude stad waarbij we een bezoek brachten aan het Convento de Santa Clara. Het was even zoeken naar de ingang maar eenmaal binnen was het echt genieten van de rust in de prachtige binnentuin. We bleven er tot 's middags op een bankje zitten en gingen daarna op zoek naar een mooi plekje voor de allerlaatste lunch.
Na de middag besloten we gezellig te gaan zitten mensenkijken op een bankje op de Plaza de Armas tot het tijd was om naar de luchthaven te vertrekken. Het was een aangename manier van afscheid nemen van deze mooie stad.
Bij aankomst op de luchthaven vernamen we onmiddellijk het minder aangename nieuws dat onze vlucht twee uur vertraging had. En dat terwijl we sowieso al drie uur voor vertrek aanwezig moesten zijn. Het werden dus vijf lange uren in een oncomfortabele luchthaven die na verloop van tijd steeds voller en voller begon te raken omdat ook andere vluchten vertraging hadden opgelopen. Later op het vliegtuig slaagden we er dankzij de nieuw aangeschafte nekkussens en oordopjes gelukkig in, een groot deel van de vlucht slapend door te brengen.
Dag 13: weer thuis
Verfomfaaid door de lange vlucht liepen we de aankomsthal van Schiphol in. Nu nog twee uur op de trein en dan zou onze reis definitief ten einde zijn. Dit was ongetwijfeld het minst avontuurlijk gedeelte van de reis maar net zoals op reis vertrekken heel leuk is, is thuiskomen dat op zijn manier ook.
Deze reis naar Cuba kan alleen maar een succes genoemd worden en misschien gaan we nog wel eens terug om het oostelijke gedeelte van het eiland te bezoeken maar dan wel met een cursus Spaans achter de kiezen.
Meer weten? Een mail naar astrid [apestaartje] stogo.net volstaat.